
Het onopgeloste mysterie
De Zuid-Nederlandse oude vestingstad Bergen op Zoom staat bekend om zijn drie A’s: aardbeien, asperges en ansjovis. De eerste twee A's zijn niet uniek, we vinden ze op meer plaatsen. Maar de derde A, de ansjovis, dat is een ander paar mouwen. We stapten op de BZ 6, de boot van de allerlaatste familie ter wereld die nog op de klassieke manier op ansjovis vist. Op “Berghenopzoomsche” ansjovis om precies te zijn.
De omgeving van Bergen op Zoom heeft in de loop der geschiedenis heel wat natuurgeweld moeten trotseren. Dat was nog in de tijd dat er geen Delta-werken bestonden die de Zeeuwse eilanden en het westelijk deel van de provincie Noord-Brabant konden beschermen. Door diverse stormvloeden werden grote delen land door de zee verzwolgen. Er ontstond een ondiep watergebied waar de getijden vrij spel kregen. Dat gebied werd ontdekt door de ansjovis, een zeer gevoelig beestje dat alleen de beste plekjes ter wereld uitkiest om te paaien. De watertemperatuur moet lekker hoog zijn, met een constant zoutgehalte en met voldoende plankton als voedsel. Aan deze eisen voldoet het verdronken land optimaal. Sinds het visje de ontdekking deed, komt ansjovis elk jaar de Oosterschelde opgezwommen en wel aan het einde van de lente, in de maanden mei en juni. De vis trekt naar het ondiepe en dus warme water tegen de Brabantse wal. Voor zover bekend, wordt er al vanaf 1340 op ansjovis gevist, zij het met gewone netten. Pas in 1673 wordt er voor het eerst melding gemaakt van weervisserij.

In de rij
Op de kade hebben we afgesproken met Jo Schots, de vishandelaar van het eiland Tholen, dat tegenover Bergen op Zoom gelegen is. Hij vertelt ons dat dit de enige plek ter wereld is waar nog op deze manier op ansjovis wordt gevist. De meeste ansjovis die in de winkels ligt, komt uit de Middellandse Zee. Die is kleiner dan de Bergse, maar volgens Jo Schots niet minder smakelijk. Toch merkt hij op dat de echte Bergenaren (inwoners van Bergen op Zoom) alleen echte Bergse ansjovis wensen. Wanneer het jaarlijkse seizoen begint, staan de mensen in de rij bij de viswinkel van zijn zoon. Dat de mensen vaak tevergeefs wachten, zal aanstonds blijken.
Ansjovis is een teer produkt dat slechts zeer kort houdbaar is. Vandaar dat de vissers na het vangen niet eerst naar de afslag gaan. Zij mogen hun produkt rechtstreeks aan huis verkopen. Tweemaal daags wordt uitgevaren, wanneer het laagwater wordt. De vis die verkocht wordt, is dus supervers. In de "weren" gaat de vis niet dood en raakt niet beschadigd door slepende netten. Tweemaal daags dus wordt de vis rechtstreeks aan chefkoks en consumenten verkocht. Alleen wanneer de vangst te groot is om aan huis te verkopen, krijgt vishandelaar Jo Schots zijn deel.
Weren, vletten en staken
Maar wat is "weervisserij" nu eigenlijk? Dat gaan we bezien met Corné van Dort en zijn zwager Henk van Schilt, die de jonge generatie van de allerlaatste weervissersfamilie vormen. Ze bedrijven deze vorm van visserij twee maanden per jaar, in de overige maanden richten ze zich op paling. In de haven is niet veel meer te zien, de eens zo trotse vissersvloot bestaat nog slechts uit vier boten, waarvan er drie op harder en kreeft varen. Helemaal aan het einde van de steiger ligt onze glimmende boot, de BZ 6. Het is een vletmodel, door Henk volledig zelf met de hand gebouwd. Een motor van 150 pk zorgt ervoor dat het negen meter lange schip binnen enkele minuten de haven uit is, op weg naar de eerste weer. De twee weren die nog over zijn, zijn allebei eigendom van de familie van Dort. Terwijl we over de verwateringspercelen van de mosselen van Yerseke varen, zien we links de beide weren staan. Toch snappen we het hele principe nog niet zo goed. Aangekomen bij de weer is het wachten op laagwater, tijd genoeg dus om ons het principe van de weervisserij uit te leggen.
Vanaf het ondiepe gedeelte, vaak bij een zandbank, zijn rijen staken van berkenhout in het water geplaatst, en wel in V-vorm. Sommige staken staan enkele decimeters uit elkaar, andere meer dan een meter. De ruimte ertussen is opgevuld met kleinere takken. Er worden geen netten gebruikt. Een zijde van een weer noemt men een vlet en kan 500 tot 800 meter lang zijn. Op de plaats waar de twee vletten bij elkaar komen, blijft een opening van zo'n anderhalve meter over. Bij die opening begint een grote cirkel. Ook deze is afgezet met dezelfde staken. Hier zijn wèl netten tussen gespannen. Aan het einde van deze cirkel bevindt zich een fuikgat waarin een net is geplaatst dat kan worden losgehaald. Zodra het water gaat zakken, gaan de vissen op zoek naar dieper water en zwemmen zo automatisch in de richting van de fuik. Er blijft voor ons nog één raadsel over: waarom zwemmen de vissen niet gewoon tussen de houten staken weg? Dat heeft te maken met de aard van het beestje. Een ansjovis heeft een natuurlijke angst voor alles wat beweegt. De houten staken trillen zachtjes door de stroming en dat is voldoende om de visjes bang voor het hout te maken. Hierdoor zullen ze nooit tussen de weren ontsnappen. Dat verklaart ook meteen het woord "weervisserij": de vissen worden geweerd. In de loop der eeuwen is niets veranderd aan deze vangsttechniek.

7-4-2008 @ 15:44


© 2004-2010 SLiM DESiGN | Hosting Brothers