De culinaire videowebsite Let's Cook It . TV

EEN APPELTJE VOOR DE DORST

EEN APPELTJE VOOR DE DORST


Slijkerige baantjes door het glooiende Heuvelland van de Vlaamse Westhoek leiden ons naar het dorpje Kemmel, in de buurt van de door wielrenners gevreesde Kemmelberg. Als we onze bestemming bereiken, trekt een waterzonnetje de hemel open, wat de weidsheid van het landschap goed tot zijn recht doet komen. Bart Dequidt van boomkwekerij De Linde ontvangt ons in zijn kleine kantoortje en trakteert ons op een glaasje versgeperst appelsap uit eigen boomgaard.

460w6131_400 460w6168_400

Bart legt zich vooral toe op de kweek van ziektebestendige fruitrassen. Hij catalogeert zijn appelbomen in drie grote groepen. Onder de RGF-rassen (resources génétiques fruitières) vinden we o.a. een aantal typische oude Waalse rassen. De ENR-rassen zijn genoemd naar de overheidsinstelling Espace Natural Régional van de Franse regio Nord / Pas-de-Calais, die lokale plant- en diersoorten verzamelt en in stand houdt. Onder deze groep vinden we ondermeer een collectie ciderappels terug. De Fransen doen er alles aan om het cidergebruik te promoten, zowel op familiaal als professioneel vlak. Opvallend is dat de appeltjes van deze categorie altijd klein van vorm zijn en meestal op hoogstam worden geproduceerd. Als derde categorie vinden we de nieuwe, gelicentieerde, weerstandbiedende rassen. Deze worden alleen op laagstam gekweekt en belangrijk is dat ze volledig schurftresistent zijn. Maar laat ons beginnen bij het begin.

460w6052_400 460w6085_400

Appelpassie
Nadat hij was afgestudeerd als tuinbouwingenieur kwam Bart tot het besluit dat kantoorwerk niet echt zijn ding was. Dus ging hij in 1983 van start met zijn eigen boomkwekerij, waarin hij zich volledig kon toeleggen op het ecologisch kweken van fruitbomen, zijn grote passie. Dat bleek een goede keuze: "Ik ondervind dat mensen weer graag een echte fruitboom in hun tuin willen, en liefst nog met rassen uit eigen regio." Voor onze kweker is het een missie om de mensheid zoveel mogelijk oude fruitsoorten te leren kennen en ze zo in stand te houden. In zijn zoektocht naar oude rassen kwam hij jaren geleden terecht in het rijksstation voor plantenziekten in Gembloux. Daar was een experiment aan de gang waarbij men een aantal oude rassen verscheidene jaren liet groeien zonder menselijke tussenkomst. Zo kwam men te weten welke rassen er al dan niet tegen bepaalde ziekten waren opgewassen. Met welke ziekten krijgen appelbomen meestal te kampen? "Wat het meeste voorkomt, zijn schurft, witziekte en kanker. Ik raad mensen af die soorten te planten, waarvan ik weet dat ze ziektegevoelig zijn. Als het toch nodig blijkt, zoek ik mijn toevlucht tot een zwavelbehandeling. Bij kanker helpt meestal enkel nog een koperbehandeling, maar dat verstoort het bodemevenwicht. Ik benadruk trouwens altijd dat de gronden goed ontwaterd moeten worden, want natte grond werkt kanker in de hand."
We willen uiteraard weten hoe een appelpit een boom wordt. "Fruitbomen zijn altijd geënte bomen. Moest je met een appelpit beginnen, zou je zeker genetische verwildering krijgen, zoals te kleine appels of een te bittere smaak. We enten dus altijd een deeltje van de moederboom op een onderstam." Je hebt de keuze tussen laagstam-, halfstam- en hoogstambomen. Een laagstam heeft een beperkte groeikracht en wordt tot 2 à 3 meter hoog. Dit hangt af van de keuze van de onderstam. Met de laagstam is men eigenlijk begonnen tussen de twee wereldoorlogen. Het voordeel is dat je sneller rendabiliteit hebt, al na twee tot drie jaar. Bijkomend voordeel is dat je geen hoge ladders nodig hebt bij de pluk. Nadeel is weer dat laagstammen sneller verouderen en vaak na tien jaar uitgeput zijn. Sommige hoogstambomen daarentegen geven pas na tien jaar resultaat, commercieel gezien geeft dit dus een belangrijk verschil.
Bart begint met Duitse onderstammen te kopen, jonge, gezaaide appelbomen van ongeveer één jaar oud. De wortels ervan kort hij in en vervolgens worden de plantjes ingekuild. In het voorjaar plant hij de onderstammen. Het is de onderstam die de uiteindelijke hoogte van de boom zal bepalen. "In augustus enten we dan zo'n vijftien centimeter boven de grond een oog, een knop tussen bladsteel en twijg, met een stukje bast van de moederboom op de onderstam. In het volgende voorjaar wordt de onderstam boven die knobbel afgesneden, waarna er scheutjes tevoorschijn komen. We houden de goede scheut in de gaten en snijden de wilde weg." De goede scheut wordt meestal gesteund met bamboe. Later kan nog eens voor een tweede maal geënt worden, vooral om een mooie, rechte stam te krijgen. Dat gebeurt dikwijls bij hoogstambomen. De entknobbels zijn achteraf niet meer zichtbaar. Als de kweker zijn koper niet vertelt hoe hij geënt heeft, weet die laatste nooit hoe hoog zijn boom zal groeien. We onthouden nog dat het ras Keuleman, ook wel Schapekop genoemd, veel gebruikt wordt als stamvormer voor de tussenstam.
Om alles visueel duidelijk te maken, wandelen we met Bart door zijn boomgaard, waarbij hij enthousiast wijst op zijn Jacques Lebel-boom, die het voorbije jaar een geweldige oogst heeft gegeven. "Kijk", wijst hij ons, "zie je die knoestige knobbels? Deze boom krijgt wel eens ziektes, zoals een kankerschimmel, waardoor de schors wordt weggevreten. Maar het wondweefsel overgroeit de open wonde en zo krijg je die knobbels. Bij andere rassen wordt het gat niet gedicht en sterft de tak af." Wel is dit een beurtjaargevoelige boom, wat wil zeggen dat je het ene jaar veel vruchten hebt, het jaar daarna heel wat minder. Positief aan dit ras is dat het bijna geen onderhoud vergt, je hoeft hem niet te snoeien. Even fier is Bart op zijn Court Pendu Rosat: "Dit is het oudste ras dat ik heb kunnen vinden. Hij geeft zeer aromatische, zoetzure vruchten, die je nog tot vier of vijf maanden na de pluk perfect kan bewaren." Bij weer een andere boom verduidelijkt Bart de gekke naam Eisdener Klumpke. "Als je goed kijkt, zie je een verdikking aan de steelholte. Met wat verbeelding kan je de vergelijking maken met de punt van een klomp. Deze boom is ook de bestuiver van de Court Pendu, die niet zelfbestuivend is en veel later bloeit." Bart kweekt altijd drie bomen per ras. Die dienen dan als enthout om nieuwe bomen te vormen. Wat verder zien we de blauwe elastiekjes waaronder het ent-oog zit. Tot slot vestigt de kweker onze aandacht op enkele rijen leibomen, die een huisgevel mooi opsieren of het goed doen als haag of afscherming. We schrikken even wanneer we in de schuur komen. Hier stelt Bart permanent maar liefst 60 appelrassen tentoon. We laten onze fotograaf zijn werk doen en noteren intussen de karakteristieke eigenschappen.

Boomkwekerij De Linde (Bart Dequidt)
Nieuwstraat 70, Kemmel
tel. 0032 57 44 63 49

 


Categorie RGF

01
Gris Braibant:
Oude variëteit, waarvan de oorsprong onbekend is. Een vruchtbare soort met ruwe schil, erg zoet, houdbaar tot mei. De vrucht verschrompelt tijdens bewaring.

02
Reinette Hernaut:
Bewaarappel (tot april) met sappig vruchtvlees, knapperig en fris van smaak. Geschikt voor appeltaart. Gevonden in Pajottenland.

03
Reinette de Blenheim:
Mooi grote, goudgele appel met rode strepen, houdbaar tot januari. Zowel hand- als stoofappel. Komt laat in productie.

04
La Paix:
Bij voorkeur op laagstam te kweken. Mooie rode, zoete handappel, eerder hoog dan breed, bewaart tot november.

05
Joseph Musch:
Kleurige, grote handappel, bewaart tot oktober, zeer vruchtbare soort, vruchtvlees vergelijkbaar met de reinette.

06
Cwastresse Double:
Ofwel Calville des Vergers is een groengele, geribde eetappel, rood gemarmerd aan de zonkant. Hij komt oorspronkelijk uit Wallonië en bewaart tot december. Het is een knapperige soort van hoge kwaliteit.

07
Radoux:
Dit zelfbestuivend ras geeft grote gele handappels met een rode blos. De laagstamvariëteit geeft appels die bewaren tot november, de hoogstam bewaart tot maart.

08
Président Roulin:
Een zachte appel van een vruchtbare boom, uitermate geschikt voor moesbereidingen en houdbaar tot eind december.

09
Reinette Evangil:
Kleine dessertappel, de eerste herfstreinette met fijn, zoetzuur vruchtvlees. Doet het goed als moesappel. Zijn oorsprong ligt in West-Vlaanderen.

66
Rode Boskoop:
Moes- en sapappel, algemeen bekend als Goudreinette. Plukrijp in oktober, eetbaar van januari tot april.

Categorie ENR

10
Colapuis:
Kleine rode ciderappel. Geeft beste opbrengst op laagstam gekweekt. Is beurtjaargevoelig.

11
Président van Dievoet:
Ofwel Cabarette. Frisse, harde eetappel met knapperig wit en sappig vlees, ook zeer geschikt voor sap. Bewaart tot in mei! Is beurtjaargevoelig.

12
Gris Baudet:
Grote grijsbruine bewaarappel met vast, zuur vruchtvlees. Goede stoofappel die perfect in de kuststreek gedijt.

13
Rambour d'Hiver:
Geelrode, sappige eetappel met zuurzoet vruchtvlees, eetbaar van januari tot mei. Sterkgroeiende hoogstamvariëteit.

14
Reinette de Flandre:
Hand- en stoofappel met wit, sappig, knappend en zuur vruchtvlees. De vroege opbrengst van deze hoogstamvariëteit bewaart tot eind december.

15
Bellefleur Large Mouche:
Ook wel Ossekop of Lanscailler genoemd. Grote, groengele appel, karmijnrood gestreept aan de zonkant, die bewaart tot januari. Deze vaste, droge stoofappel is ook geschikt voor sap. Hij komt laat in productie, maar geeft een hoge, regelmatige opbrengst op half- of hoogstam.

16
Veurnse Renet:
Ofwel Reinette des Capucins. Mooie grote, groengele eetappel die rood kleurt aan de zonkant. Fijn, aromatisch vruchtvlees, perfect voor gebak. De bewaartijd loopt van november tot februari.

17
Franse Bellefleur:
Ofwel Bellefleur Double. Grote groengele handappel met rode blos en een zoete tot lichtzure smaak, geschikt als stoofappel en voor sap. De soort is beurtjaargevoelig, en bewaart tot december.

18
Reinette de France:
Grote gele, aromatische en zoete stoofappel die tot in april bewaart.

19
Reinette de Fugélan:
Grote groene tot gele handappel die je voor volledige rijpheid van september tot december bewaart. Blijft daarna nog geschikt als stoofappel.

20
Précoce de Wirwignes:
Ofwel Directeur Lesage. Wordt eerste helft augustus geoogst. Wit, sappig, zoet en aromatisch vruchtvlees.

21
Argilière:
Vermiljoenrode handappel met gele ondergrond. Heeft vooral last van vroege val, maar is goed vruchtbaar en geeft aromatische vruchten die bewaren tot oktober.

22
Jacques Lebel:
Een oude variëteit die je in de meeste Vlaamse boomgaarden terugvindt. Scoort het best op half- of hoogstam en is groen tot geel, zacht en sappig met een lichtzuur accent. Leent zich goed voor moesbereidingen. De bewaartijd ligt tussen september en december.

23
Germaine:
Bitterzoete, kleine ciderappel, bleekgeel tot rood.

24
Dello:
Zoete, kleine ciderappel.

25
Marseigna:
Erg kleine, bitterzoete ciderappel.

26
Normandie blanc:
Kleine groengele bitterzoete ciderappel.

27
Pomme du Verger.
Erg kleine, ronde, geelrode bittere ciderappel.

28
Gravenstein:
Oud ras, ziektegevoelige dessertappel, vooral hoogstamkweek. Deze geelgroene soort met rode streepjes is erg sappig, zoetzuur en aromatisch, en te bewaren tot oktober.

29
Reinette Baumann:
Knappende, zoetzure en licht aromatische soort, vooral geschikt voor moesbereidingen en voor sap. De bewaartijd loopt tot maart.

30
Kalvijntje:
Ook Calville Rouge d'Automne genoemd. Een oud ras, erg gekend in het noordwesten van Vlaanderen, met vaak rozig vlees onder de schil. Deze zoetzure variëteit met rode kleur is te bewaren tot september en leent zich voor diverse bereidingen in de keuken. Geschikt als dessertappel en als sapbron.

31
Reinette Bakker:
Ofwel Parmentier. West-Vlaamse hoogstamvariëteit, beurtjaargevoelig, bewaarbaar tot maart. Deze geelrode reinette is een goede dessertappel, lekker als sapbron en geschikt voor veelvuldige toepassingen in de keuken. Knappend, zoetzuur vruchtvlees, dat melig wordt als je hem wat te lang bewaart.

32
Transparente de Croncels:
Zachte, sappige en zachtzure appel, erg gevoelig voor druk en transport. Lekker als dessertappel of voor zijn sap. Bruikbaar in de keuken.

33
Trezeke Meyers:
Strogele / lichtrode dessertappel voor veelvuldige keukentoepassingen door zijn aangenaam zoete, licht gearomatiseerde smaak. Bewaarbaar tot november.

34
Kattekop:
Ook bekend als Calville de St. Sauveur. Droge, grote, grijsgroene appel met weinig aroma en een zoete tot zachtzure smaak. Bewaart tot januari.

35
Sterappel:
Ook Reinette étoilée of Kerstfruit. Beroemde kleine sierappel met een vuurrode schil en lichtroze vruchtvlees. Wordt meestal op hoogstam gekweekt en geeft pas na 10 jaar vruchten.

36
Brabantse Bellefleur:
Ofwel Bellefleur Simple. Kleine, zoetrinse dessertappel, te bewaren tot maart.

37
Eysdener Klumpke:
De vruchten van dit zeer vruchtbare Limburgse ras zijn zoetzuur en licht gearomatiseerd. Als dessert en voor meerdere toepassingen in de keuken. Bewaart tot maart.

38
Reinette Landsberg:
Groengele appel, erg gevoelig voor druk.Fijn aroma, zuurzoet, sappig en zacht vlees. Dessert-, sap- en keukenappel, bewaarbaar tot februari.

39
Reinette du Canada blanche:
Bruinachtig / gele vrucht, licht gearomatiseerd en zoetzuur. Geschikt als dessert en voor vele keukenbereidingen, bewaart tot maart.

40
Reinette de Chenée:
gele / roestkleurige dessert- en handappel, zoetzuur en licht gearomatiseerd. Te bewaren tot maart.

41
Pomme d'Api Etoilée:
Kleine sierappel, geelrood, valt vooral op door zijn vijfhoekige vorm.

42
Keiing:
Dessert- en keukenappel uit het Waasland, bewaarbaar tot april. Knapperige structuur en zoetrins van smaak.

43
Keuleman:
Ofwel Gueule de Mouton:
Konische vorm. Belangrijke stamvormer en snelle groeier. De vrucht, bewaarbaar tot april, heeft weinig aroma. Met zijn lichtzure smaak is hij evenwel geschikt als dessert-, sap- en keukenappel.

44
Court Pendu Rosat:
Zeer oud bewaarras, houdbaar tot 5 maanden na de pluk. Erg geparfumeerd en aromatisch, zoetzuur van smaak. Een perfecte dessert-, keuken- en sapappel.

45
Court Pendu Noir:
Een donkerrode variëteit van de Rosat met dezelfde eigenschappen.

46
Discovery:
Kleine, platte en rode oogstappel die tamelijk lang bewaart. Geschikt als dessertappel door zijn zoetzure smaak en aroma.

47
Karmijn de Sonnaville:
Ziektegevoelig ras. Aromatische dessert-, keuken- en sapappel met friszure smaak.

48
James Grieve:
Zeer vruchtbare dessert- en keukenappel, geel en lichtrood van kleur met sappig, lichtzuur en zacht vlees. Bewaart tot september.

49
Jan Steen:
Rode, zoetzure en aromatische dessertappel, een kruising van Cox en sterappel. De vruchten vallen laat en bewaren tot januari.

50
Alkmene:
Tamelijk kleine dessertappel met een zoete smaak die aan de Cox doet denken. Is een kruising tussen Cox Orange Pippin en Dr. Oldenburg. Omdat de Orange Pippin zo ziektegevoelig is, wordt bijna altijd voor de Alkmene gekozen.

Nieuwe gelicencieerde rassen

51
Santana:
Friszure, sappige en knapperige handappel met een goed aroma. Sterke groeier met een vroege productie. Bewaart tot eind oktober.

52
Cox's Orange Pipin:
Zeer ziektegevoelige laagstamvariëteit met kleine, geelrode vrucht, zoet en zeer aromatisch. Vooral geschikt als dessert of voor sap.

53
Reine des Renettes:
Knapperige, zoete en tamelijk sappige dessertappel met fijn aroma, bewaart tot december.

54
Reinette Descardre:
Aromatische, zoetzure dessertappel, te bewaren tot januari.

55
Topaz:
Matige groeier met een vroege regelmatige productie. Wordt geplukt in oktober en bewaart tot januari. Zoetzuur met een matig aroma, een stevige, sappige en knapperige dessertappel.

56
Suntan:
Geelrode zoetzure, aromatische dessertappel, een kruising tussen Cox's en Court Pendu. Bewaart tot december.

57
Pinova:
Knappeige, zoetzure dessertappel met goed aroma. Bewaart tot maart.

58
Idared:
Zoetzure, aromatische dessertappel, bewaart tot december.

59
Lombarts Calville:
Groengele soort met vettige schil, lichtzuur, sappig en zacht vlees. Geschikt als dessert-, keuken- en sapappel. Bewaart tot februari.

60
Melrose:
Donkerrode dessertappel, die goed gedijt op zandgrond. Knappend, zoetzuur en sappig, bewaart tot januari.

61
Jonared:
Zeer witziektegevoelige dessertappel, groengeel en zoet van smaak. Bewaart tot januari.

62
Jonagold:
Dé referentie van dit moment.

63
Mutsu:
Een soort van verbeterde Golden, minder schurftgevoelig, knappend, sappig met een meloenachtig aroma en groengeel van kleur. Bewaart tot januari.

64
Winter Banana:
Opvallendste kenmerk is dat deze appel dikwijls een naad heeft van kelk tot steel. Bleekgeel en rood van kleur, zoetzuur, bewaart tot maart, goede dessert-, keuken- en sapappel.

65
Gloster:
Paarsrode dessertappel met konische vorm, zoetzure smaak, kankergevoelig, bewaart tot januari.

67
Golden Delicious:
Zoete en sappige handappel die tijdens het rijpen geler wordt. Was vroeger dé referentie. Verdraagt zeer droge ondergrond.

69
Winston:
Afkomstig uit Engeland, sterke groeier. Is een culinaire alleskunner, want is geschikt als hand-, moes- en sapappel en wordt vooral geprezen in fruitsalades.

«

21-1-2010 @ 09:32