De culinaire videowebsite Let's Cook It . TV

Zomer 2004

Gastronomie supergezond
De mensen die mij kennen, weten dat ik me zowel beroepshalve als uit puur plezier oeverloos te buiten ga aan alles wat eet- en drinkbaar is. Niet zelden eet ik vijf maal per week foie gras, uiteraard vergezeld van een mooie Monbazillac, Sauternes of Sainte-Croix-du-Mont. Vooral goede hoeveboter vind ik lekker, aan tafel in een restaurant kan ik hier enkele honderden grammen van genieten. Ook van room houd ik zielsveel. Geklopt of ongeklopt, dertig of veertig procent, fraîche of zoet, het maakt me allemaal niet uit. Als het maar room is. Vlees van het varken, het kalf of het rund vind ik pas superbe wanneer voorzien van een deftig ranje vet en gebakken in goede boter. Uiteraard mag daarbij een fles Médoc of Bourgogne niet ontbreken. Liever twee zelfs. Mijn huisarts weet van mijn beroep en hobby en fronst altijd de wenkbrouwen. Ze vindt het verstandig om regelmatig mijn bloed te laten onderzoeken, want volgens de boekjes moet ik een rampzalig geval zijn waarvan binnenkort de kist moet worden opgemeten. Vorige week was het weer zo ver en werd ik binnenstebuiten gekeerd. Het resultaat? Mijn cholesterol is als van een baby. Bloeddruk, sporenelementen, prostaat, lever, nieren, weet ik veel wat ze allemaal onderzoeken, op èlk punt kreeg ik een tien. Zoals ook bij vorige onderzoeken het geval was. Is dat ondanks mijn eet- en drinkgewoonten? Nee, het is dankzij. Iemand die zich continu gastronomisch laat verwennen, moet automatisch supergezond zijn. De gastronomie biedt namelijk een eerlijke pure keuken, gekoppeld aan een enorme veelzijdigheid. Hoe hard de heren fabrikanten ook roepen dat ik op hun becel moet overschakelen, ik ben het vooralsnog niet van plan. Ik blijf gewoon gastronomisch doorgaan, wetend dat de chefs en sommeliers mijn doktoren zijn. Weliswaar krijg ik meer energie binnen dan ik achter mijn computer verbruik, dus moet ik alleen mijn gewicht in de gaten houden. Daar heb ik in de loop der tijd een eigen methode voor ontwikkeld. Eenmaal per jaar eet en drink ik drie tot vier weken lang helemaal niets, alleen veel water. Daarmee raak ik dan zo'vijftien kilo kwijt, waarna ik me weer ongeremd te buiten kan gaan. Mijn derde gezondheidspunt betreft rotzooi. Die eet ik niet. Restaurants waar de chefs hun fonds uit een pakje toveren, die bezoek ik niet. Want die chefs zijn geen dokters maar kwakzalvers. En ook weiger ik produkten waar MSG en andere goedkope rotzooi in verwerkt is. En dan is er tot slot nog punt vier: hard werken. Twintig uur per dag is voor mij geen zeldzaamheid, zeven dagen per week evenmin. In mijn vrije tijd bouw ik een huis, want stenen sjouwen, cement maken, dakpannen leggen en deuren timmeren is goed voor het gestel. Dat ik niet dood zal gaan, kan ik niet garanderen. U ook niet. Maar wanneer mijn klokje slaat, zal ik in elk geval tevreden terugblikken. En dat is iets wat niet iedereen kan zeggen van zichzelf.

Begripsverloedering
Eens was het woord “restaurant” een begrip waarvan de betekenis duidelijk was. Weliswaar is het woord afkomstig van “restaureren” dus “opknappen”, maar dat is al weer een paar honderd jaar geleden. Wanneer ik in de auto zit en mijn route-miep(gps) om een restaurant in de buurt vraag, verwijst ze me naar McDonalds En inderdaad, deze vettige keten betitelt zichzelf als “restaurant”. Bleef het echter maar bij GPS en Mc Do, je kunt het Neanderthalers op culinair gebied niet kwalijk nemen dat zij argeloos een woord misbruiken. Wat ik erger vind, is dat een gerespecteerd culinair journalist het woord is gaan misbruiken. Ik heb het over mijn gewaardeerde Vlaamse collega Marc Declercq. Hij stelt voor het blad Feeling de jaarlijkse “Restaurantgids” samen. In die gids is nauwelijks een restaurant te vinden. Het is (bijna) een aaneenschakeling van eetcafés en tavernes. Marc, eerbiedig het woord “restaurant” door het uitsluitend te reserveren voor zaken die deze titel verdienen. Geef de gids een andere naam.

Norbert Koreman

«

15-1-2007 @ 17:26